donderdag 23 mei 2013

Restaurants

Met restaurants is het uitkijken geblazen, misschien tijdens de vakantie nog meer dan thuis. In toeristenplaatsjes wordt al gauw geredeneerd: ‘Die zien we toch nooit meer terug.’  Dus die kunnen we wel piepzak schenken in plaats van een pittige petit café. Dit soort ondernemers stevent af op een faillissement en als dat gebeurt, ‘eigen schuld dikke bult’.

Toen daags na Pinksteren enkele favoriete restaurantjes gesloten bleken, zijn we er toch weer in getuind. Pizzeria met aardig lijkende pasta’s, aangekondigd op zo’n krijtbord voor de deur. Eenmaal gezeten – we zijn alleen, wat een waarschuwing op zich zou moeten zijn – laat Levensmaatje haar kritisch oog dwalen over gordijnen en vloeren…tja. De ‘waardin’ veegt zo nu en dan haar peuter van onder een tafeltje uit. Is die vloer schoon? Mwah.

De uitbater, tevens kok, zit buiten met z’n mobieltje te spelen en sloft, daartoe opgeroepen, weinig geïnspireerd naar binnen. Laat ik het niet te lang maken want dat is het niet waard. De pasta’s met zogenaamde zeevruchten voor de een en gebakken spekjes voor de ander, zijn uitgesproken lauw. Daar kunnen de ‘artistiek’ over het vierkante bord gestrooide peterseliesnippers (uit een potje) natuurlijk weinig aan veranderen.   Dit was uiteraard het moment, om de hand op te steken en te zeggen: ‘Dit is beneden de maat, hiervoor gaan we niet betalen.’ Ik heb me vast voorgenomen dat een volgende keer ‘gewoon’ te doen. Waarom zou de gemiddelde winkelier garantie moeten geven en zo’n klojo niet?

‘Die zien we niet meer terug.’ Wel dus. We lopen de straat nog even heen en weer en komen de dienster (die de tent inmiddels heeft gesloten) met haar kleuter tegen. Ze kijkt beschaamd (?) een andere kant uit.

Nee, dan de eenvoudige maar smakelijke lunch met charcuterie, konijn en ratatouille die we ‘n paar dagen  later genieten op het tegen de zon afgeschermde terras van dat restaurantje in een bergdorp. Bien soigné.

Na regen komt zonneschijn moet je maar denken. Die laatste is hier in de Haute Provence volop present, kan ik meedelen. Alleen lijken we van  dezelfde noordelijke wind te genieten als de rest van West-Europa.

vrijdag 17 mei 2013

Muurreclames restaureren? Doen!

De voorzitter van de Oirschotse heemkundekring, Arthur de Vries, pleit in het ED voor restauratie van een geschilderde ‘muurreclame’ van het voormalige Hotel Princée. Doen!
Dit soort muurschilderingen vertelt heel veel over de ‘ondernemerscultuur’ in het verleden, toen beeldreclame zoals we die nu kennen nog niet bestond.

Het waren vaak schildersproducten, waaraan veel vakmanschap inventiviteit en soms ook humor te pas kwam. In de Parijse metro stond ooit een reclame op de tunnelwand voor de aperitiefdrank Dubonnet: ‘Dubo…dubon…Dubonnet’ Men las dat op het ritme van de wielen.

Oirschot, kapperspaalDe belangstelling in ons land voor dit erfgoed, waartoe je natuurlijk ook de uithangborden moet rekenen (‘Hier zet men koffie en over’ bij de veerpont)  is zeer groot. Google maar eens naar ‘muurreclame’. Het wemelt van de initiatieven en er zijn ook schilders, die zich in  dit soort restauraties hebben gespecialiseerd.

Een dorp als Oirschot had niet veel muurreclames. Je moest er ‘n beetje stad voor zijn. Sommige dingen zijn trouwens niet meer terug te halen. Ik denk aan de kapper die in 1980 nog gevestigd was op Rijkesluisstraat 37. Die had een kappers- of barbierspaal aan de gevel. Een internationaal symbool zoals uit Wikipedia blijkt. Alsof ik de verdwijning voorvoelde, maakte ik destijds een foto van die paal.

dinsdag 14 mei 2013

Best wel creatief

De absolute voorrang voor de zwakke verkeersdeelnemers op de  rotondes is zo ongeveer het beste wat Best de laatste tijd is overkomen. We hebben er wel zes jaar op moeten wachten (traag draaiende ambtelijke molens, waarover straks meer) maar nu is eindelijk de praktijk gewettigd. Want de scholieren, met name die van het Heerbeeck College, namen al een voorschot op wat in de meeste gemeenten een regel was. En – het moet gezegd worden – als fietser en voetganger kreeg ik in Best doorgaans van de automobilisten al de vrije doorgang. Er zijn echt nog wel hoffelijke mensen in het verkeer.

Het op één na beste van het Bestse nieuws is wellicht de toch haalbaar gebleken culturele hotspot aan de Raadhuisstraat van de Bibliotheek, De Wig en Pulz. Opmerkelijk: particuliere ondernemers staan zowat in de rij om dit mogelijk te maken. Komt dat even goed uit, nu het bij de plaatselijke overheid geen botertje tot de boom meer is, Hier past enige woordverklaring: met boom wordt in deze uitdrukking bodem bedoeld. De bodem van het botervat, oftewel zoiets als het onderste uit de kan.

Een mooi verhaal vind ik ook dat over de aankoop door particulieren van een monumentale boerderij aan de Kapelweg in Aarle, met de bedoeling die geheel in stijl te restaureren, inclusief erf en boomgaard. De nieuwe eigenaar en zijn partner zaten er al járen achteraan en grepen hun kans toen de laatste bewoonster naar het zorgcentrum ging. Aardig detail: dat takje tussen deur en deurpost om te controleren of er nog andere kijkers waren geweest. Kwestie van slim onderhandelen. Ondanks dat de kersverse eigenaren van plan zijn, heel veel zelf te doen, komt deze onderneming hen, inclusief koopsom, toch wel op een miljoen te staan. Mits ambtelijke en bestuurlijke molens niet te traag draaien, want dan zou het toch weer duurder kunnen worden.

En nu maar hopen dat er voor de eveneens in Aarle gelegen Sint-Annahof ook zo’n verantwoorde creatieve oplossing komt. Want absolute veiligheid voor de kleinschalige Bestse buitengebieden is nog steeds niet gegarandeerd. Zie de geruchten die nu weer gaan over het ‘economisch rendabel’ maken van De Vleut.

(Gesproken column Omroep Best, 15.06.13)

vrijdag 3 mei 2013

Het kerkelijke koningslied

In Trouw las ik een stukje over het ‘lied voor de koning’ dat in de synagoge wordt gezongen en dat terug zou gaan tot de ontmoeting van Jakob met de Egyptische Farao.

Hadden de katholieken ook niet zo’n lied dat altijd op zondag ná de hoogmis werd gezongen? Zeker. Het is nu natuurlijk van de aardbodem verdwenen, zoals de hoogmis een gewone mis naar nieuwe al dan niet omstreden maatstaven is geworden. In mijn jeugd was het de laatste, gezongen, mis van de vier (!) die er op zondag werden gelezen.

Het Volksmisboek van de abdij van Afflighem (1939) biedt weer eens uitkomst: Domine, salvum fac Reginam nostram – Heer, schenk heil aan onzen Koningin (bij een koning Regem nostrum).

En YouTube natuurlijk. Er bestaan melodisch talloze varianten van het lied, maar dat van het Enka Mannenkoor uit Ede komt overeen met wat in onze kerk werd gezongen.

Gebeurde dat ook tijdens Wereldoorlog II? Hoewel ik in 1941  was gekomen tot wat men toen ‘de jaren des verstands’ noemde (Eerste H. Communie!) kan ik me dat niet herinneren, maar ik denk het wel. De bezetter – die alle verwijzingen naar levende leden van het Koningshuis verbood – bemoeide zich niet met wat er in de kerken gebeurde.

Zodoende waagde kardinaal De Jong het, een anti-Duitse brief te laten voorlezen. Toch een moedige daad, ook van de predikanten die dat vanaf preekstoel deden. Wel moest de kerk aan de verduistering meedoen. Al die hoge gotische ramen afplakken was natuurlijk onbegonnen werk. Dat loste men op met enorme kappen rond de armaturen die voorkwamen dat het licht naar boven straalde.

vrijdag 26 april 2013

Oud kiekje (2)

ganzen_aan_de_mark_web
Het stukje Oud kiekje (1) komt zo ongeveer op losse schroeven te staan, als gevolg van mijn vorderingen met de negatiefscanner. Ik ben hierbij chattenderwijs bij de hand genomen door de firma Epson, afdeling Benelux. Nu de ganzen die dezelfde dag in 1953 voor mij op de loop gingen, aan de Mark. Op de achtergrond zie je het toenmalige gebouw van de Vereeniging IJsvermaak.

donderdag 25 april 2013

Sjoemelen en de grenzen opzoeken

Het sjoemelen en graaien gaat onverminderd door, dus is het de kunst, zoveel mogelijk boven water te krijgen.
Ik sprak deze week een ZZP-er van diep in de veertig, die met pijn en moeite van de ene opdracht naar de andere hopt. In mei is het voor hem weer even afgelopen. Zijn visie op het hedendaagse kantoorleven is weinig opwekkend. Het is ieder voor zich en god voor ons allen. Een ratrace, waarbij je ogen op je rug moet hebben, teneinde te voorkomen dat je een oor aan genaaid wordt. Wie denkt, het met normaal, integer opereren te redden, trekt onherroepelijk aan het kortste eind.
Slim zijn is dus de boodschap maar sommigen verwarren dit met de boel regelrecht belazeren. Op de economiepagina van het ED lees ik vandaag een verhaal over een accountant die door de curator van een failliet bedrijf wordt verdacht van paulianeus handelen. Dit woord is gefabriceerd vanuit een latijns-juridische term (actio pauliana) en die kan wellicht het best worden vertaald in ‘frauduleus handelen met voorkennis’. De accountant zou vlak voor het faillissement bijna zes ton naar ‘een veilige plek’ hebben weggesluisd. Dat zit hem niet glad want de curator is natuurlijk van plan dat geld terug te halen.
Net goed. Zie de beginzin van dit stukje. Wie denkt, de zaak ongestraft te kunnen tillen, verdient een lesje. Wat zeg ik? Een douw.
Maar lijkt dit een duidelijk geval van fraude, er zijn er ook die denken binnen te raken, door de grenzen van wat mag en niet mag op te zoeken. Zij hebben geen boodschap aan welke ethiek dan ook en zijn bereid grijnzend voor microfoon of camera te roepen dat ze brandschoon zijn, terwijl  ze met hun gedrag op z’n minst vragen oproepen.
Zo’n geval van ‘wie doet me wat’ is Jeroen Pauw, een journalist met een bv, die met behulp van het hem ter beschikking staande medium plus redactionele organisatie een onvoorstelbaar machtige positie inneemt, ministers doet opdraven, BN-ers maakt en breekt en dat ook nog eens doet op een kwajongensachtige manier. Zo’n man is zo hoog gevallen, dat hij er geen been in ziet, mensen als Bram Moszkowicz (ook zo iemand, trouwens die grenzen opzoekt én overschrijdt) en Femke Halsema van professioneel advies te dienen en de volgende dag voor de zoveelste keer aan zijn tafel te ontvangen. Over het gemeenschapsgeld dat de man hiervoor maandelijks toucheert, wil ik het verder niet hebben. Vakwerk moet goed betaald worden.
Vakwerk? Professioneel? ‘Kunt u ze dan nog wel kritisch interviewen,’ werd Pauw deze week in het radioprogramma Lunch gevraagd.
‘Natuurlijk wel.’
‘O. Dank u, dat u ons even te woord hebt willen staan.’

Een oud kiekje

ginneken_duivelsbruglaan1953Dit fotootje, nauwelijks meer dan ‘n kiekje zoals we dat toen noemden, schoot ik vanuit het slaapkamer-raam van mijn ouders, in – ik maak een redelijk nauwkeurige schatting – 1953. Men ziet rechts de noordelijke zijbeuk van de Ginnekense (Ned. Herv.) Laurentiuskerk en nog net iets van het Chassémonument. Op de voorgrond de Duivelsbruglaan, met twee fietsers midden op de glibberige rijweg. Verderop de zijgevel van café De Vrachtwagen van de familie Verschuren, dat met de voorkant naar de Ginnekenmarkt is gekeerd.

Ik was een beginnend fotograaf en dat is te zien ook. De linker bovenhoek is overbelicht. Er zit daar iets in de lucht dat op rook lijkt, maar geloof dat maar niet. Voor de geïnteresseerden: De foto is gemaakt met een Agfa Isolette III, zo’n ding met een inklapbaar zeemlederen harmonica-balgje. Pas in 1958 zou ik over een Rolleiflex beschikken.

In de analoge doka zou ik wellicht nog iets aan de kwaliteit van de foto hebben kunnen verbeteren (‘doordrukken’ met afscherming van het wel goed belichte gedeelte), maar al photoshoppend kom ik er zo gauw nog niet uit.

Eindelijk heb ik nu een scanner die 6 x 6 negatieven aankan, zodat ik een begin kon maken met ‘schatgraven’. Het gaat er nu in de eerste plaats om dat ding en zijn software te doorgronden. Als ik iets vind dat de moeite waard is, zal ik het laten zien.

donderdag 18 april 2013

Kabouterland

Eigenlijk vormen de Belgische Ardennen, met hun achtergebleven stadjes en dorpen ‘n soort kabouterland. Dat werd mij definitief ingegeven bij het vatten van een pint, in een taverne bij de brouwerij van Achouffe (Houffalize).  Voortreffelijk amberkleurig vocht trouwens. De kastelein in Achouffe kookt onder het motto van de oud-Franse spreuk in het Engelse wapen: honi soit qui mal y pense. Wee hij die er slecht van denkt. Dat Frans is destijds door Margaret Thatcher  over het hoofd gezien.
chouffeChouffe voert een hop plukkende kabouter op klompen met slobkousen als beeldmerk, Vandaar. Maar de Ardennen ontlenen hun aantrekkelijkheid niet in de laatste plaats aan het knusse landschap, waar je je al mountainbikend onder de modder kunt laten spuiten, waar op de rommelmarktjes nog de merkwaardigste spullen zijn te vinden en waar je – mits goed uit kijkend – erg lekker kunt eten. Wat ons betreft pakte dat laatste wat minder goed uit. Een voorgerecht met pasta en een nagerecht met bleke pannekoekskes vormen nu niet direct een combinatie waar wij op zitten te wachten. Maar we hadden dan ook een arrangement van de krant en dat heeft ons geleerd dat je beter via het internet een hotel kunt boeken en het verder zelf uitzoeken. Ook de kamer van Du Commerce (oorspronkelijk een familiehotel voor handelsreizigers, nu onderdeel van een keten) was wat minder riant dan de plaatjes hadden doen vermoeden. En het (gratis)  wifisignaal was zwak.
Maar over het personeel niets dan goeds. En – in tegenstelling tot dat in Namen en Dinant – ook nog eens tweetalig. Er was trouwens een Tilburgse bij, die zei haar dialect in vier maanden te zijn kwijt geraakt. Op de gang hing een foto van een vrachtauto die ooit het hotel was binnengereden. In de Ardennen is geen plaats voor rondwegen, dus de verhalen over rust in de reviews op het web zijn op z’n zachtst gezegd overdreven. Hollanders zijn trouwens nogal gasaint_hubert_9uw tevreden over het eten, maar dat weet ik al sinds ik bij een chinees aan de Lijnbaan in Rotterdam de smerigste gerechten met smaak naar binnen heb zien werken.
Van die vrachtauto zei de jonge kelner: ‘Toen was ik nog niet geboren.’ Het was ook niet het enige incident geweest, vertelde hij. Ooit had een oplegger met boomstammen het complete terras weggevaagd. De enige daar zittende persoon ontkwam ternauwernood aan scalpering.
Dit deed me weer denken aan Saint Hubert, waar ik eens zo’n houttransport moeizaam door het centrum zag manoeuvreren. Hoe zou het nu met dat stadje zijn? Destijds veel verlaten restaurants, neergelaten rolluiken  en netten tegen vallend puin onder de gewelven van de kerk.
Ach, inmiddels zitten we allemaal in de crisis, behalve de nieuwe koning.

W.A. bedreef politiek

Willem-Alexander bedreef natuurlijk politiek, toen hij tijdens dat onnoemelijk saaie interview (iemand twitterde ‘waar is Sven Kockelman?’)  tegenover een eventuele salarisvermindering stelde dat dit banen zou gaan kosten. Een constitutioneel-monarchale doodzonde.

Want het gaat de republikeinen uiteraard niet in de eerste plaats om de kosten van instandhouding van het sprookje (ook een president kost het nodige)  maar om het persoonlijk inkomen van de Koning. Dat staat volkomen los van de kosten van de hofhouding, equipages (gouden  koets) en wat dies meer zei. Een politieke uitspraak dus en ook nog eens demagogie van de ergste soort.

De indruk bestaat dat dit interview sterk door de Rijksvoorlichtingsdienst was geregisseerd, zoals elke stap die leden van het koningshuis in het openbaar zetten. Was W.A. ook deze reactie ingegeven? Nog erger. De zich Oranjegezind noemenden – niet zelden gevoed door opportunisme, ijdelheid en oud-Hollandse ondernemingszin – hebben zich hiermee behoorlijk in de kaart laten kijken.

Ook de ‘resolute’ afwijzing door de nieuwbakken koning van een duobaan met Máxima, door sommige onnozelen tot  voorpaginanieuws verheven, slaat nergens op. Máxima had hier beter het woord kunnen  voeren en kunnen zeggen: Ik wil een voorbeeld nemen aan wijlen mijn schoonvader.